Romsdaler Alpen 

Over leven boven én onder de boomgrens

Zzzzssggg, zsssssggggg’. Het is het geluid van de vellen onder mijn ski’s, terwijl ik naar boven loop. Als ik stop, is het de stilte die me als eerste overdondert. Niet te lang. ‘Zzzzzsssggg, zzzzssssggg’. Zo hier en daar dragen de bomen een wollen dekentje. Guerrilla-kunst waar je het niet verwacht.

Als ik verderga, merk ik al dat er iets in mij is veranderd. Help! Ik voel. Hoewel ik mijn computer al minstens een uur verlaten heb, trekt mijn hoofd zich er nu pas uit terug. Waren het de verrassende aangeklede bomen? Is het de stilte? Of zijn het de imposante met winterzon beschenen bergtoppen die een vlammetje in me aanwakkeren?

Iets verderop doemt een man tussen de bomen op. Een man op leeftijd. Uit zijn rugzak steekt een zaag. We praten. Dat gaat heel makkelijk in de bergen. Bij de bushalte praat je niet. In de bergen wel. De man is op weg naar zijn vader die wat hogerop bomen zaagt. ‘Uw vader?’ vraag ik nog vol ongeloof. ‘Ja da’, zegt de ouwe en loopt door. Dat is waar ook. Een Noor wordt geboren met een hamer en een zaag. Tot de dood ze scheidt.

Weer voel ik me anders. Opener misschien. Gelukkig was ik al, maar toch voel ik me nog net wat gelukkiger. Hoe kan dat? Was het dat korte gesprek? Over weer, zagen en hout? Of is het de boomgrens die ik passeer. Het wijdse. Voor mij doemt de beroemde ‘Kirketaket’ op. De berg waar ik ooit zo tegenop zag en waar ik later nog zovele malen bovenop heb gestaan.

Mijn ski’s glijden steeds vaker weg op de ijskorst onder de dunne laag verse sneeuw. Negeren of serieus nemen? De bergen zijn de baas. Die les had ik al eens geleerd. In de wijde omtrek is niemand te zien. Op één toerskiër na, die als een kleine zigzaggende zwarte stip steeds verder een bergtop nadert.

De toppen roepen me weer als vanouds, maar de stenen en ijslagen brengen twijfel. De telefoon gaat. Mijn dochter. Met de woorden ‘ziek, hond moet plassen en hoe lang blijf ik nog weg’, is gelijk de twijfel weg. Ik trek de vellen van mijn ski’s, vervang muts voor helm, klik de hielen vast in de bindingen en GO! Daar komt de climax.

Ik was al gelukkig, ik werd nog gelukkiger en nu ben ik het gelukkigst. Suizend over het poeder, takken rakend, stenen en bomen ontwijkend. Het langgerekte fjord in de zon zuig ik in één teug in me op. Als één groot communicerend vat sta ik in contact met hemel en aarde, met bomen en beken, en met stenen en mezelf. En vooral met mijn dochter.

Als ik de voordeur binnenstap, heeft de hond zijn jas al aan. ‘Vergeet de poepzakjes niet,’ zegt ze nog als ze zelf alweer boven is.