Cursus dialect

Eerder gepubliceerd in het boek Typisch Nedernoors

Ik zit aan tafel en buig mij met stijgende verbazing over een in dialect geschreven krantenartikel uit de Sunmørsposten. Dit lijkt verdorie wel weer heel ander akrakadabra dan het Rauma-dialect. Verderop in de kamer speelt Delphi met lego. Ze brabbelt constant in zichzelf en ook nog eens in het Noors. Daarbij maakt ze gebruik van tal van dialectwoorden in combinatie met zinsamenstellingen, zoals ik ze eigenlijk alleen de lokale bevolking hoor gebruiken. ‘Nok så’ dit en ‘nok så’ dat. Ik bespeur een lichte vorm van jaloezie en frustratie bij mezelf.

 

Als er later op de dag een Noors vriendinnetje komt spelen, kan ik mijn oren niet geloven. Delphi gebruikt midden in zinnen gewoon Nederlandse woorden, maar door ze met een Noors accent uit te spreken, wordt ze klaarblijkelijk toch volledig begrepen. Ik sta paf. Dat is mij nog niet gelukt. Als ik dit doe, stuit ik direct op vragende, niet-begrijpende blikken. Wat hebben kinderen wat volwassenen niet hebben?

 

De frustratie bereikt een hoogtepunt als ik vanuit Molde met de bus naar Isfjorden wil reizen. Het dorpsgedeelte waar de bus in Isfjorden stopt, heet Hen. Makkelijker kan niet, zou je zeggen. ‘Een enkele reis Hen graag,’ vraag ik de chauffeur. ‘Hen????’ herhaalt de chauffeur met grote vragende ogen. ‘Eh, ja, Hen,’ antwoord ik licht onzeker. Er volgt een stilte. ‘Ooooh, u bedoelt Hèn-ne?’ concludeert de chauffeur belerend. Volledig van mijn stuk gebracht neem ik plaats. Blijkbaar slikken ze niet alleen letters in, maar voegen ze onwillekeurig ook letters aan woorden toe.

 

De plaatselijke dialecten verschillen niet alleen van streek tot streek, maar ook van dorp tot dorp. En zelfs tussen dorpsdelen bestaan er dialectverschillen. Dit gegeven maakt het niet gemakkelijker, maar het heeft me ook op het idee gebracht om het dialect eens aan een nadere studie te onderwerpen. Daarbij heb ik de volgende cursusstof kunnen samenstellen.

 

1) Een zelfverzekerde houding tijdens het praten bepaalt voor een groot deel de mate waarin je wordt begrepen en verstaan (al is het maar alsof). 2) Door elke zin af te sluiten met ‘ikke sant?’ (niet waar?), wordt dit nog eens versterkt, want meestal volgt er dan automatisch een bevestigend knikje (goed voor je zelfvertrouwen). 3) Verder is het belangrijk om zoveel mogelijk letters in te slikken. Hoe meer letters je inslikt, des te beter zul je worden begrepen. Doe dit overigens allemaal zo binnensmonds als mogelijk. 4) Mocht je het al aandurven, zou je ook nog kunnen besluiten hier en daar wat overgebleven letters om te draaien. Dat lijkt moeilijk, maar je zult zien dat de gesprekken tot nog meer openheid zullen leiden. En blijf aan die zelfverzekerde houding denken, want zodra er een lichte twijfel van je gezicht af te lezen is, zal dat meteen in een ‘heh?, huh? of watte?’ resulteren.

 Extra tip: Mocht je de uitspraak van de letter ‘y’ nog niet onder de knie hebben (uit te spreken als een klank tussen de letter ‘i’ en de ‘u’), vermijd dan elk woord waarin deze voorkomt. Ga eerst voor de spiegel oefenen. Pas als je merkt dat je mond- en kaakspieren bij het uitspreken van deze letter een natuurlijke vorm aannemen, kun je overwegen hier en daar een ‘y-woord’ te laten vallen. Volgt er dan toch nog een ‘huh?’, dan kun je beter eerst nog een tijdje droog oefenen. Succes!